Een optimist. Een man met een bewogen jeugd. Een avonturier. Een lieverd. Maak kennis met Olivier Merlin.

Als ik erover praat, word ik er nog steeds emotioneel van. Het speelde zich af in 2004, in juli. Vanuit het niets stak een storm op. Een zware storm: de wind jaagde met 125 kilometer per uur over het land en nam hagelstenen mee, zo groot als pingpongballen. Op mijn erf stond een grote notenboom; die heeft het niet overleefd, net als mijn oogst. In een mum van tijd was tachtig procent weg, kapot, vernield. Een tragedie. De dag erna ben ik mijn wijngaard in gegaan om de planten te troosten, om mezelf te troosten, om het verdriet te delen. Ik was daar omdat ze onderdeel van mij en van mijn leven zijn. Het wonderlijke, en dat is de magie van de natuur, is dat alle planten het hebben overleefd en ik verder kon.” Terwijl Olivier Merlin dit vertelt, loopt er een traan over zijn gezicht.

Geen gewoon verhaal

Het verhaal van Domaine Merlin voltrekt zich niet volgens het motto ‘van vader op zoon’, integendeel. Zoals Olivier het zelf zegt, is hij letterlijk met minder dan niks begonnen. Zijn vader was boekhouder en zijn moeder was een goede kokkin, die het eten verzorgde op feesten en partijen en bij alle bruiloften in het dorp. Hoewel ze niet rijk waren, hadden beiden wel een passie voor gastronomie. Er werd goed gegeten en gedronken in huize Merlin. Goed eten was niet duur in die tijd; je haalde alles zelf van het land of bij een boer en de wijn ‘bij de buren’. De kleine Olivier had een mooie en smakelijke kindertijd, maar daar komt op dertienjarige leeftijd abrupt een einde aan als zijn beide ouders overlijden.

Een traumatische ervaring, waarmee hij het nog een aantal jaren heel moeilijk heeft. School kan hem weinig bekoren, maar er wordt toch van hem verwacht dat hij een vak gaat leren. In een omgeving waar de meeste mensen wel iets met landbouw doen, is de keuze snel gemaakt: hij gaat naar de landbouwschool in Davayé. Een school met eigen wijngaarden, waar ook voor de leerlingen wordt gekookt. Het feit dat het allemaal maar een beetje met de Franse slag gedaan wordt, maakt iets bij Olivier los: hij wil kwaliteit. En dus op naar Beaune, waar hij een technische opleiding gaat volgen aan La Viti, school voor viticulture. In 1983, hij is dan eenentwintig, haalt hij zijn diploma en gaat hij meteen aan het werk op een domein in de Jura.

De oceaan over

Olivier werkt, spaart en heeft in 1985 genoeg geld om samen met een vriend een vliegticket te kopen naar New York om vandaaruit Amerika te gaan verkennen. Als backpackers. Met een vleugje hippiesentiment besluiten ze om van New York naar San Francisco te gaan liften. Elke Amerikaan met wie ze dat idee delen, verklaart hen voor gek. Het is levensgevaarlijk: voor je het weet, ben je beroofd, vermoord of een combinatie daarvan. Toegegeven, niet alles verloopt op rolletjes. In Kansas wordt aan de langharige Franse hippies door de sheriff te verstaan gegeven dat het hen niet is toegestaan om binnen zijn jurisdiction te liften en daarom worden ze in een politiewagen buiten de districtsgrenzen gedumpt. In de buurt van Salt Lake City worden ze midden in de woestijn uit een auto gezet om vervolgens zonder water tien uur te wachten op de volgende rit. In Reno worden ze voor de laatste etappe opgepikt door een vrouw die Olivier naast zich plant en hem opdracht geeft de ene na de andere joint te draaien. Maar uiteindelijk komen ze waar we willen zijn: Californië.

Daar ontmoeten ze tal van mensen, ook uit de wijnwereld. Het klikt vooral met de eigenaar van de Green & Red Vineyard in Napa Valley. Olivier krijgt ter plekke een baan aangeboden en zal vervolgens twee jaar op het domein werken. Dat doet hij met een speciaal soort visum, door president Reagan uitgereikt aan de FFA, het Future Farmer of America-visum. Hij leert hoe en waarom de Amerikaanse opvattingen over wijnmaken verschillen van de Franse en, misschien nog wel belangrijker, hij leert hoe je een bedrijf organiseert.

De grote stap

Eind 1985 wordt het zaadje geplant voor een belangrijk besluit: “Aan het eind van het eerste jaar in Amerika kwam ik via een Franse vriend in contact met een familielid van hem, een oom die wilde stoppen met zijn domein en een opvolger zocht. Dat domein in La Roche-Vineuse was al sinds 1750 eigendom van de familie. Het idee was dat ik samen met die vriend het bedrijf zou overnemen. Ik heb daarover nagedacht en kwam al snel tot de conclusie dat dit voor mij veel te vroeg kwam. Ik moest gewoon werken voor mijn geld, want ik had verder niks en kon dus ook niks inbrengen: de verhoudingen klopten niet.”

“Een verstandig besluit, want enkele maanden later besloot die vriend om gewoon maar helemaal uit de wijnbusiness te stappen. Maar zijn oom zocht nog steeds naar een opvolger. Saillant detail in dat verband: deze man had 28(!) neven en nichten, maar niemand die het bedrijf wilde overnemen. En elke keer als ik met vrienden in Frankrijk belde, kreeg ik te horen dat de man nog steeds in me geïnteresseerd was. Na verloop van tijd heb ik dan toch maar eens contact gezocht en na een aantal gesprekken besloot ik om toch de stap te wagen en dat domein over te nemen. Dat vond mijn baas bij Green & Red niet zo fijn; hij wilde dat ik daar het bedrijf ging leiden. Maar ik was inmiddels geen vrijgezel meer, ik had mijn huidige vrouw leren kennen en ik heb met haar overlegd: blijven in Napa Valley of teruggaan naar de Bourgogne?”

“De belangrijkste reden voor de terugkeer was misschien wel dat we het sociale leven zoals we dat allebei kenden, want mijn vrouw is ook Frans, steeds meer gingen missen. In Amerika leer je snel veel mensen kennen, maar het blijft allemaal toch een beetje oppervlakkig. Omdat ik geen ouders had, voelde ik nadrukkelijk de behoefte aan de vriendschappen die ik in Frankrijk had: de wetenschap dat iemand je echt kent, echt in je geïnteresseerd is, dat je je verhaal kwijt kunt, dat was voor mij heel belangrijk. Begrijp me goed, ik onderhoud nog steeds goed contact met mensen in Amerika, maar toen, op dat moment, verlangde ik terug naar iets vertrouwds.”

“Nu vragen ze aan mij hoe ze het beste hun wijngaarden kunnen bewerken.”

Helpende hand

“Die beslissing om dat domein over te nemen, was vanuit financieel oogpunt niet helemaal vanzelfsprekend, want we hadden nog steeds niks. We hadden in Amerika wel gewerkt en iets gespaard, maar dat was in de verste verte niet genoeg om dat domein te kopen. De familie van mijn vrouw kon ons ook niet helpen; die waren ook niet rijk. De mogelijkheid om de overname wel te kunnen financieren, kwam uit onverwachte hoek: de verkopende familie. Deze mensen waren op een heel goede manier heel vrome katholieken en zij voelden zich oprecht verplicht om ons te helpen ons eigen bedrijf te starten. Het was nota bene de vader van mijn vriend die ons zei: ‘Jullie moeten geld lenen, daar heb je banken voor nodig en die bank wil zekerheden. Daar ga ik voor zorgen: ik sta voor het hele bedrag garant.’ En zo werden wij eigenaar van Domaine du Vieux Saint-Sorlin.”

“In 1987 zijn we van start gegaan. Heel klein, met 4,5 hectare wijngaarden en 2,5 hectare heel goede grond, die we vrij snel hebben beplant. In de loop van de tijd hebben we land bijgekocht, zoals in 1996 in Saint-Vérand en in 2006 in Moulin-à-Vent. Nu hebben we een kleine 25 hectare in bezit. Dat klinkt prachtig, maar eigenlijk is het te veel. Te veel werk voor mij althans, want alles is versleten: mijn knieën, schouders, noem maar op. Ik ben dan ook heel blij dat mijn zoons nu ook in het bedrijf zitten.”

“Want het is hard werken, zeker op de manier waarop wij de wijngaarden bewerken. In de tijd dat de chemicaliën hun intrede deden, ergens eind jaren 60, maakte dat veel handwerk overbodig. Met een paar druppels van dat spul was alles weg waarvan je dacht dat het de druiven bedreigde; het leek wel een wonder. Maar letterlijk alles werd verdelgd. De wijngaarden lagen er na verloop van tijd als woestijnen bij. Om die reden besloten wij bij aanvang om de natuur zijn werk te laten doen en niet die chemicaliën. Daar werd toen nogal lacherig over gedaan en ik werd ook in de maling genomen. De eerste keer dat ik met mijn trekker-met-ploeg de wijngaard in reed, ging er nogal wat verkeerd en ploegde ik meer om dan de bedoeling was. Al die tijd stonden een paar mannen naar me te kijken en zich te vermaken. Pas na afloop kwam er eentje naar me toe: dat en dat doe je verkeerd, dat moet je zus en zo doen. Nu, zoveel jaren later, komen aan ze mij vragen hoe zij het beste hun wijngaarden kunnen bewerken.”

“Wat me vandaag de dag vooral bezighoudt, is het klimaat. Normaal hadden we in Bourgogne een landklimaat met relatief droge en koude winters, de lente met wat regen en zon, de zomer heet en droog en de herfst met regen en matige temperaturen. Nu hebben we eigenlijk maar twee seizoenen: heel korte winters met veel neerslag op het eind en dan gaan we meteen door naar de zomer, die met gemak tot half november kan duren. Nu is het zo dat je in de lente de kwantiteit maakt – je zorgt ervoor dat het fruit de ruimte krijgt om te groeien – en in de zomer de kwaliteit: ervoor zorgen dat de druiven fit blijven en mooi kunnen rijpen. In die wetenschap moeten we heel zorgvuldig zijn met oogsten. Als we iets te laat beginnen of het duurt te lang, dan maken we niet de wijn die we willen en kunnen maken. En dat is iets dat mij nooit zal overkomen.”   

Restauranttip

In Fuissé, op een kwartiertje rijden van La Roche-Vineuse, vind je L’O des Vignes, een goed restaurant met wijnbar, waar je heerlijk luncht en dineert.
www.lodesvignes.fr

Hoteltip

Het Château de Chasselas is om meerdere redenen ernstig de moeite waard om te bezoeken. Het is prachtig gelegen tussen de eigen wijngaarden en heeft dus eigen wijnen én een wijnwinkel.
www.chateauchasselas.fr